|
| |
 | |
Klinisch gebruik van instrumenten na
gebruik bij dieren (THIP 2010-1)
Vraag:
Hoe moet worden omgegaan met het klinisch gebruik van instrumenten die
eerder bij dieren zijn gebruikt.
Antwoord:
Bij het klinisch gebruik van instrumentarium dat eerder op dieren is
toegepast bestaat de kans op overdracht van ziekten van dier naar mens. Naar
verwachting zal het merendeel van deze ziekteverwekkers door de gangbare
reinigings-, desinfectie- en sterilisatiemethoden verwijderd dan wel
geïnactiveerd worden. Voor een aantal ziekteverwekkers is echter bekend dat
deze methoden niet afdoende zijn. Het prion, de ziekteverwekker geassocieerd
met ziektes als BSE, scrapie en CJD, is hiervan het bekendste voorbeeld. Het
is onzeker of er andere ziekteverwekkers bestaan waarvoor hetzelfde geldt.
In 1996 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in haar circulaire
over de behandeling van instrumentarium dat mogelijk is besmet met prionen
het volgende geadviseerd: "instrumentarium dat bij dieren of obducties wordt
gebruikt mag in principe niet klinisch worden toegepast. Wanneer dit
onvermijdbaar is, dient het instrumentarium te worden behandeld alsof het
CJD-gecontamineerd is".
Hoewel de in 1996 door IGZ beschreven prion-procedure voor behandeling van
CJD-gecontamineerd instrumentarium niet meer up-to-date is kunnen wij het
advies ten aanzien van het klinisch gebruik van instrumentarium dat eerder
bij dieren of obducties is gebruikt nog steeds onderschrijven. Dit geldt
tevens voor instrumentarium dat gebruikt is bij trainingen voor bepaalde
ingrepen, waarbij oefenmateriaal van dierlijke afkomst (bijvoorbeeld
varkens, of varkensblazen) wordt toegepast. Naast het (onbekende) risico op
de overdracht van zeer resistente ziekteverwekkers moet ook rekening
gehouden worden met een hoger risico op onoordeelkundig/onzorgvuldig gebruik
van instrumentarium in bovenstaande situaties, waardoor een risico op
disfunctioneren ontstaat.
Op basis hiervan wordt het onderstaande geadviseerd.
- Instrumentarium dat gebruikt wordt bij de behandeling van patiënten
dient men niet te gebruiken bij dieren (ook niet voor experimentele of
educatieve doeleinden) en/of bij obducties.
- In voorkomende gevallen dat het instrumentarium toch voor deze
doeleinden is gebruikt, dient er rekening mee gehouden te worden dat de
gebruikelijke decontaminatieprocedures onvoldoende effectief kunnen
zijn. Bij voorkeur wordt daarom een speciale procedure gebruikt.
Door de Werkgroep Infectiepreventie is een richtlijn ontwikkeld
specifiek gericht op de preventie van prionziekten.
De hierin beschreven prion-procedure is aan te bevelen als zo'n speciale
procedure. Nadeel van deze speciale procedure is wel dat niet alle
chirurgische instrumenten deze doorstaan. Hetzelfde geldt voor flexibele
endoscopen. Dergelijk instrumentarium is derhalve niet meer geschikt te
maken voor gebruik bij patiënten na toepassing op dieren of bij
obducties.
- Men dient naar de medische staf een duidelijke richtlijn te
(doen) verstrekken over de toepassing van het instrumentarium voor
klinisch gebruik en in samenspraak te zoeken naar een oplossing. Te
denken valt aan het separaat houden van (afgeschreven) instrumenten voor
educatieve doelen en het gebruik van leensets van de leveranciers. Bij
het gebruik van leensets moet de leverancier een
decontaminatieverklaring kunnen overleggen waarin staat dat het
instrumentarium niet op dieren is gebruikt.
Literatuur
- Circulaire IGZ, 17 juni 1996, FMT-U-963214, Prionen.
- THIP 96-5, Drs. J.M.M. Hansen, Ingezonden brief.
- Werkgroep Infectiepreventie,
Infectiepreventie met betrekking tot prionziekten.
- Centrale Sterilisatie Club, Veldnorm voor het in bruikleen
of huur nemen cq. geven van chirurgisch instrumentarium.

Deze THIP-DOC is gemaakt door leden van de Permanente Commissie Reiniging en
Desinfectie van de W.I.P.
Dhr. Adrie de Bruyn, R.I.V.M.
Dhr.Ir. Arjan van Drongelen, R.I.V.M.
Mw. Thea Daha, W.I.P.
| |